Naar inhoud springen

vastgoed

Uit WikiWoordenboek
  • vast·goed
enkelvoud meervoud
naamwoord vastgoed
verkleinwoord

hetvastgoedo

  1. (economie), (juridisch) goed [2] dat niet verplaatsbaar is
    • Het vastgoed werd tegen te hoge prijzen verkocht. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]