goedkeuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·keu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
goedkeuren
keurde goed
goedgekeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
goedkeuren

  1. toestemming verlenen
    • Vader keurde het goed dat ik met die jongen naar de film ging. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.