slecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slecht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet goed’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: slecht (glad, vlak)
Oudnederlands: sleht
Germaans: *slihtaz
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: slight (Angelsaksisch: sliht), Duits: schlicht, schlecht (Oudhoogduits: sliht, sleht), Fries: sljocht (Oudfries: sliucht)
Noord: Zweeds: slätt, Deens: slet, Noors: slett, (Oudnoords: sléttr), IJslands: sléttur, Faeröers: slættur
Oost: Gotisch: slaihts
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slecht slechter slechtst
verbogen slechte slechtere slechtste
partitief slechts slechters -

Bijvoeglijk naamwoord

slecht [2]

  1. van lage kwaliteit
    • Een slecht merk. 
  2. kwaadaardig, kwaadwillend, niet van goede wil getuigend
    • Een slechte daad. 
  3. (verouderd) vlak, effen, glad
Antoniemen
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Slecht gemutst zijn
een slecht humeur hebben
  • Goed ( of slecht) aangeschreven staan
iets of iemand in zekere klasse rangschikken, op zekere wijze beschouwen of schatten.
  • In een slechte reuk staan
iemand die niet goed bekend staat
  • In een goed ( of slecht) blaadje staan
ergens goed aangeschreven staan
  • Met onwillige honden is het slecht hazen vangen
het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen
  • Recht en slecht
oprecht en eenvoudig
  • Van een koude (kale of slechte) kermis (reis of markt) thuiskomen
ergens slecht wegkomen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
slecht slechter het slechtst


Bijwoord

slecht

  1. niet goed
    • Deze groep is wel het slechtst behandeld. 
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slechten

slecht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van slechten
  2. gebiedende wijs van slechten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen