zaaigoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaigoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaigoed o

  1. het zaad dat nog gezaaid dient te worden
    • Het zaaigoed ligt klaar om morgen uit te zaaien. 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie