erg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erg
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen erg erger ergst
allerergst
verbogen erge ergere ergste
allerergste
partitief ergs ergers -
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

erg

  1. verschrikkelijk, deerniswekkend, hevig, bar, heftig
    • Katrina was de ergste ramp die New Orleans tot dusver overkomen is. 
    • Wat is het toch erg dat ze kanker heeft. 
     Elke dag het ergste vuil eraf poetsen met een natte bandana of een plons in een rivier zijn meer dan voldoende om jezelf schoon te houden.[4]
Vertalingen

Bijwoord

erg

  1. in hoge mate, zeer, danig, heel
    • Dit is een erg moeilijke zaak. 
     Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.[4]
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord erg
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

erg o

  1. het bewust zijn van iets
    • Ik heb daar geen erg in gehad. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen