beddengoed

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bed·den·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beddengoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beddengoed o

  1. het textiel dat op een bed gebruikt wordt
    • Laken, sloop en deken zijn de belangrijkste onderdelen van beddengoed. 
     Dagelijks werd het beddengoed verwisseld en maakten de interieurverzorgsters de kamers schoon.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be