matig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: -matig
Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘binnen redelijke maat’ voor het eerst aangetroffen in 1475 [1]
  • Afgeleid van maat met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen matig matiger matigst
verbogen matige matigere matigste
partitief matigs matigers -

Bijvoeglijk naamwoord

matig

  1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
    • Hij is een matige eter. 
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
matigen

matig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
    • Ik matig. 
  2. gebiedende wijs van matigen
    • Matig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
    • Matig je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen