ruim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruim
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘uitgestrekt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 698 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ruim ruimer ruimst
verbogen ruime ruimere ruimste
partitief ruims ruimers -

Bijvoeglijk naamwoord

ruim

  1. van grote omvang of uitgestrektheid
    • Je hebt een ruimere broek nodig. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

ruim

  1. meer dan ongeveer; meer dan genoeg
    • Dat is ruim een pond kaas. 
    • Het was in totaal ruim voldoende om Italië, Rusland, Zwitserland en Noorwegen voor te blijven. Zweden werd uiteindelijk pas zesde door een tegenvallende score bij de publieksstemmen. [2] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • ruim veertig
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord ruim ruimen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ruim o

  1. (scheepvaart) de laadruimte van een schip
    • Er ontstond brand in het ruim. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ruimen

ruim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
    • Ik ruim. 
  2. gebiedende wijs van ruimen
    • Ruim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
    • Ruim je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen