bonus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·nus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn. Komt van het Latijnse bonus (goed).
enkelvoud meervoud
naamwoord bonus bonussen
boni
verkleinwoord bonusje bonusjes

Zelfstandig naamwoord

bonus m

  1. een extraatje, meestal als beloning
    Managers krijgen vaak een bonus (heeft echter weinig te maken met 'goed') maar nooit een malus (hoewel daar nu juist vaak een reden voor is)!
    de tijdgeest: iedere 'topman' van een kauwgomballenfabriek geeft zichzelf ieder jaar een bonus van minstens 3 miljoen euro
    Er is geen duidelijke relatie tussen de prestaties van een beursgenoteerd bedrijf en het toekennen aan bonussen aan bestuursleden. [1]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Meer informatie

Verwijzingen
  1. www.nu.nl


Latijn

Bijvoeglijk naamwoord

bonus

  1. goed
Verbuiging