gut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gut
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitroep van verwondering’ voor het eerst aangetroffen in 1612 [1]
  • bastaardvloek, afgeleid van God!, waarvan de betekenis geleidelijk verzwakt is [2][3]

Tussenwerpsel

gut

  1. uitroep die lichte verbazing uitdrukt
    • Gut, ik dacht dat je morgen zou komen. 
  2. uitroep die licht medelijden uitdrukt
    • Ben ik op jouw plaats gaan zitten? Gut, dat spijt me. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
gut
besser
am besten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

gut

  1. goed
  2. dik


Engels

enkelvoud meervoud
gut guts

Zelfstandig naamwoord

gut

  1. ingewanden, darm
    That used to be made of the gut of a cat.
  2. buik
    You need to lose some of that fat gut, so exercise!
  3. moed,lef
    He's got guts.


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • gut
stellend vergrotend overtreffend
kiehl besser bescht

Bijvoeglijk naamwoord

gut

  1. goed
    «Ich hab schunn viel weisse Schparregraas in Deitschland gesse un ich kann ehrlich saage ass es arrig gut iss.»
    Ik heb al veel witte asperges in Duitsland gegeten en ik kan eerlijk zeggen dat het zeer goed is.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • arrig gut
zeer goed
Opmerkingen