foutloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fout·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van fout met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen foutloos foutlozer foutloost
verbogen foutloze foutlozere foutlooste
partitief foutloos foutlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

foutloos

  1. zonder fouten, zonder misslagen
    • De secretaresse kon foutloos typen. 
     In plaats van anonimiteit trof ik op mijn eerste avond mijn foutloos gespelde naam aan die in de verzilverde servetring was gegraveerd die mijn vaste tafel in het restaurant markeerde.[1]
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 29