weg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord weg wegen
verkleinwoord weggetje
wegje
weggetjes

Zelfstandig naamwoord

[A] weg m

  1. (verkeer) smalle strook grond voor het verkeer
    • Je mag enkel op de weg rijden, niet op het fietspad! 
     Vooral de secundaire informatie van Guthook was voor mij van groot belang. Alle relevante informatie over de trail werd aangegeven, zoals geschikte slaapplaatsen, wegen, dorpen en alle waterbronnen.[9]
  2. route van een vertrekpunt naar een bestemming
    • Ik zoek de kortste weg naar Amsterdam. 
  3. (figuurlijk) middel om iets te bereiken
     Ik zie geen weg om onder de druk van oordeel en straf uit te komen.[10]
  4. op weg: een gedeelte van een taak is volbracht
    • Hij was al heel aardig op weg met het schrijven van zijn nieuwe roman. 
     Het geslaagde Italiaanse offensief, de Engelsen in Doornik, de Amerikanen in Chátillon... het was duidelijk dat ze op de goede weg zaten.[11]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

[A] weg

  1. verwijderd van de huidige plaats
    • Hij liep van huis weg. 
     Een halfjaar weg van mijn gezin vond men wel erg lang.[9]
  2. onvindbaar.
    • Het kan toch niet zomaar weg zijn? 
  3. een voortgang uitdrukkend
    • Het ging fout, want hij deed het allemaal in het wilde weg. 
Uitdrukkingen en gezegden
enkelvoud meervoud
naamwoord weg weggen
verkleinwoord weggetje weggetjes

Zelfstandig naamwoord

[B] weg m / v

  1. (voeding) brood dat naar de uiteinden toe in een punt toeloopt
Synoniemen
  • wegge (uitspraakvariant)
  • wig (uitspraakvariant)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[12]

Meer informatie

Verwijzingen