weg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg
enkelvoud meervoud
naamwoord weg wegen
verkleinwoord weggetje weggetjes

Zelfstandig naamwoord

weg m

  1. (verkeer) een smalle strook grond voor het verkeer
    • Je mag enkel op de weg rijden, niet op het fietspad! 
  2. een middel om iets te bereiken
    • Waar een wil is, is een weg. 
  3. een route
    • Ik zoek de kortste weg naar Amsterdam. 
  4. op weg: een gedeelte van een taak is volbracht
    • Hij was al heel aardig op weg met het schrijven van zijn nieuwe roman. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

weg

  1. verwijderd van de huige plaats
    • Hij liep van huis weg. 
  2. onvindbaar.
    • Het kan toch niet zomaar weg zijn? 
  3. een voortgang uitdrukkend
    • Het ging fout, want hij deed het allemaal in het wilde weg. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie