wegdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wegdoen
deed weg
weggedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

wegdoen

  1. overgankelijk: niet langer behouden
    • Ga jij die troep nu eindelijk eens wegdoen? 
  2. overgankelijk: zich ontdoen van
  3. overgankelijk: uitwissen, uitvegen
  4. overgankelijk: wegbrengen
  5. (informeel), (economie) overgankelijk: (m.b.t. personeel) ontslaan

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be