middenweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mid·den·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord middenweg middenwegen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

middenweg m [1]

  1. (verkeer) de weg die tussen twee andere wegen in loopt, vaak ook als eigennaam gebruikt
    • Zondagochtend organiseert IVN Amstelveen een fietsexcursie door de Bovenkerkerpolder, een ‘grutto-paradijs’ vlakbij Amsterdam. Agrariërs in de Bovenkerkerpolder en de Ronde Hoeppolder zetten zich met succes in voor het behoud van weidevogels. In deze polders strijken er veel neer na hun reis uit het zuiden (na vaak een eerste pitstop op het Landje van Geijsel in Ouderkerk aan de Amstel, waar boer Jan Geijsel een weiland speciaal voor grutto’s onder laat lopen), om hier te gaan nestelen en hun jongen groot te brengen. Je kunt hier wel 40 vogelsoorten zien. Zondag 9 april, 10.00 uur, verzamelen bij fietsknooppunt 93 (Nesserlaan 8, Amstelveen; waar de Middenweg de Nesserlaan kruist). www.ivn.nl/afdeling/amstelveen [2] 
  2. (figuurlijk) een manier van doen en denken die twee of meer uitersten weet te vermijden; de derde weg
    • Nu hoef je jezelf als vrouw geen feminist te noemen om je in te zetten voor de vrouwenzaak. Maar dan is weer het probleem dat je je moet identificeren met een groep die heel groot en amorf is: iets meer dan de helft van de wereldbevolking bestaat uit vrouwen. Met zo’n grote groep is het nogal moeilijk identificeren, omdat mensen graag de gulden middenweg zoeken tussen bij anderen horen en tóch bijzonder zijn. De meeste onderdrukte groepen zijn minderheden. Die blijken daardoor meteen al een ‘gepolitiseerde identiteit’ te hebben, zoals dat heet: homo’s en Marokkaanse Nederlanders, bijvoorbeeld, komen sneller voor hun eigen groep op dan vrouwen. De categorie ‘vrouw’ is daarvoor veel te groot.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de gulden middenweg
het beste ligt vaak tussen de beide uitersten
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Saskia van Loenen 8 april 2017
  3. NRC Ellen de Bruin 14 april 2017