invalsweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

invalsweg bij Deventer
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·vals·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord invalsweg invalswegen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

invalsweg m [1]

  1. (verkeer) weg die verkeer leidt tot in de stad of het dorp vanaf een grote doorgaande weg en natuurljk ook omgekeerd
    • En van de vele dingen die je over Diemen zou kunnen zeggen, lijkt me dit het meest geschikt om als motto te adopteren. Bij elke invalsweg een groot bord: „Diemen, niet meer het Diemen zoals jij het kent, hoor.”[2] 
    • De politie heeft in het westen van Mexico de afgehakte hoofden van drie mannen ontdekt. Ze werden aan de invalsweg naar Los Reyes in de deelstaat Michoacán gevonden, zei een woordvoerder van het lokale openbaar ministerie. De daders hadden bovendien een boodschap achtergelaten: 'Dit gebeurt met allen, die de gemeentepolitie steunen'. [3] 
Synoniemen
Vertalingen


Meer informatie

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Paulien Cornelisse 5 mei 2017
  3. Volkskrant 26 september 2013
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be