omweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omweg omwegen
verkleinwoord omweggetje omweggetjes

Zelfstandig naamwoord

omweg m

  1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
    • Omdat de weg ten gevolge van een ongeluk was afgesloten, moest men een omweg maken om op de plaats van bestemming te komen. 
  2. nodeloze omhaal van woorden
    • Met veel omwegen trachtte de man zijn plannen duidelijk te maken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.