ventweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

rechts de geasfalteerde hoofdweg links de ventweg met straatstenen
Uitspraak
Woordafbreking
  • vent·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ventweg ventwegen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ventweg m [1]

  1. weg die parallel loopt aan een andere weg, de zogenaamde hoofdweg
    • Er deed zich gisterenmorgen een wegverzakking voor op de ventweg van de Koningin Astridlaan.[2] 
    • Het slachtoffer is per ambulance naar het MST is Enschede gebracht. De nasleep wordt afgehandeld op de ventweg.[3] 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 29 NOVEMBER 2017
  3. Tubantia 29-JULI-2016