reisweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reisweg reiswegen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

reisweg m

  1. reeks plaatsen waarlangs welke plaatsen je een bestemming bereikt
  2. (figuurlijk) wat iemand in zijn leven heeft meegemaakt, voorafgaande reeks gebeurtenissen
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.