verkeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·keer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘voertuigen en personen die de openbare weg gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in 1843 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord verkeer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verkeer o

  1. (verkeer) het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
    • Het verkeer op de A4 staat volledig vast. 
  2. omgang b.v. geslachtsverkeer
  3. (communicatie) het overbrengen van berichten via een communicatiekanaal (post, telefoon, telegram etc.) -> dataverkeer
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verkeren

verkeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkeren
    • Ik verkeer. 
  2. gebiedende wijs van verkeren
    • Verkeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkeren
    • Verkeer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen