afwezig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·we·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van af en de stam van wezen met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afwezig afweziger afwezigst
verbogen afwezige afwezigere afwezigste
partitief afwezigs afwezigers -

Bijvoeglijk naamwoord

afwezig

  1. niet op een bepaald tijdstip en plaats
    • Hij was afwezig op de vergadering, want hij was ergens anders. 
  1. geestelijk afgeleid, verstrooid
    • Hij was afwezig op de vergadering, want je zag hem indutten. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl