wegvliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wegvliegen
vloog weg
weggevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

wegvliegen

  1. ergatief een plaats vliegend verlaten
    • Voor hij de foto kon nemen vloog de zeldzame vogel weg. 
  2. ergatief heel snel en plotseling een plaats verlaten
    • Toen hij het slechte nieuws hoorde vloog hij weg. 
  3. ergatief een hoge verkoopsnelheid hebben
    • Zo rond deze tijd van het jaar vliegen de boeken gewoon weg. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.