asfaltweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

asfaltweg
Uitspraak
Woordafbreking
  • as·falt·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord asfaltweg asfaltwegen
verkleinwoord asfaltwegje
asfaltweggetje
asfaltwegjes
asfaltweggetjes

Zelfstandig naamwoord

asfaltweg m [1]

  1. (verkeer) (bouwkunde) verharde weg waarvan het wegdek bestaat uit asfalt
    • Op amper een uurtje van de Nederlandse grens kom je in een compleet andere wereld. Waar kasseien soepel overgaan in slingerende asfaltwegen en schonkige boerenpaarden vol verwondering blikken naar de langstrekkende, felgekleurde fietsers. Rondom de traag stromende Leie en de kolkende Schelde wedijveren bossen, heuvels en verstilde dorpen om de prijs voor het mooiste stilleven.[2] 
    • Je kunt de aangelegde asfaltweg volgen, maar ook paden pakken de bossen in, die aan weerszijden van de kloof voor een mooi groen spektakel zorgen.[3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf EPCO ONGERING 24 jun. 2017
  3. RON PEEREBOOM VOLLER 22 mrt. 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be