vei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vei
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vei veier veist
verbogen veie veiere veiste
partitief veis veiers -

Bijvoeglijk naamwoord

vei

  1. mals, vruchtbaar
    • Hoe riekt gij, Bamisbosschen, goed,
      als 't weder vei en vocht is; (…)
       [3]
  2. vet

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Abadi

Zelfstandig naamwoord

vei

  1. water


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • vei
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord vegr
Naar frequentie 229
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   vei     veien     veier     veiene  
genitief   veis     veiens     veiers     veienes  

Zelfstandig naamwoord

vei, m

  1. pad, weg
  2. rijbaan
  3. kanaal in het lichaam (zoals de ademwegen, luchtwegen)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: anlegge ny vei
  • [1]: asfaltert vei
  • [1]: hullet vei
  • [1]: offentlig vei
  • [1]: privat vei
  • [1]: stikke ut veien
  • [1]: trafikkert vei
  • [1]: utbedre veien
  • [1]: veien mellom to landsbyer
weg tussen twee dorpen