wegbrengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wegbrengen
bracht weg
weggebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

wegbrengen

  1. iemand begeleiden bij het gaan van de ene naar de andere plaats
    • Hij bracht zijn kinderen weg naar het vliegveld. 
  2. iets brengen naar een andere plaats
    • Hij bracht het oud papier weg naar het inzamelpunt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.