weggaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·gaan
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van gaan met het voorvoegsel weg-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weggaan
ging weg
weggegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

weggaan

  1. (ergatief) zich ergens vandaan begeven
    We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd.
  2. (ergatief) uitgaan, feesten
    Wilde jij vanavond nog weggaan?
  3. (ergatief) uit een relatie stappen
    De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan.
Synoniemen
Vertalingen