weggaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weggaan
ging weg
weggegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

weggaan

  1. ergatief zich ergens vandaan begeven
    • We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd. 
  2. ergatief uitgaan, feesten
    • Wilde jij vanavond nog weggaan? 
  3. ergatief uit een relatie stappen
    • De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.