wegrijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wegrijden
reed weg
weggereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

wegrijden

  1. ergatief zich rijdend verwijderen
    • Zij holden naar de halte maar zagen de bus voor hun neus wegrijden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.