binnenweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenweg binnenwegen
verkleinwoord binnenweggetje binnenweggetjes

Zelfstandig naamwoord

binnenweg m

  1. (verkeer) een minder belangrijke weg meestal vooral voor plaatselijk verkeer of als sluiproute gebruikt
    • Hij was er sneller, omdat hij een binnenweg genomen had. 
    • De toeristische route ging over mooie binnenweg. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie