overweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een óverweg.

Nederlands

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overweg overwegen
verkleinwoord overweggetje
overwegje
overweggetjes
overwegjes

Zelfstandig naamwoord

óverweg m

  1. een kruising van een weg met een spoorbaan.
    • De overweg was gesloten omdat er een lange goederentrein aankwam. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

overwég

  1. ~ kunnen met: goed kunnen opschieten met iemand.
    • Nadien konden zij een stuk beter met elkaar overweg. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be