voetweg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

voetweg
Uitspraak
Woordafbreking
  • voet·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voetweg voetwegen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voetweg m [1]

  1. een weg waarover men kan wandelen
    • Jeroen Verstraete (39) uit Sint-Amandsberg werd dinsdagmorgen rond 9 uur levenloos aangetroffen op een kasteeldomein langs de Antwerpse Voetweg en werd net als Descamps en haar grootouders met messteken om het leven gebracht. [2] 
    • Zoals hij naar een pad kijkt, al ligt dat vol scherpe keien of is het verscholen half in de zuigende modder, heeft misschien nooit eerder iemand naar zoiets aards als een voetweg gekeken: ‘de verbeelding móét een lijn in het land volgen, verder de ruimte in, maar ook terug in de tijd naar de geschiedenis van een route en naar eerdere wandelaars.’ [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen