reiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Reiken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reiken
reikte
gereikt
zwak -t volledig

Werkwoord

reiken

  1. ~ naar: de armen uitstrekken tot iets
    • Hij reikte naar de pot die op de hoogste plank stond maar kon er net niet bij. 
  2. ~ tot (aan): werkzaam of aanwezig zijn tot een bepaalde grens
    • Het verspreidingsgebied van de lepelaar reikt in het uiterste noordwesten tot aan Nederland. 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen