overhand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·hand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overhand
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

overhand v/m

  1. de meeste invloed, de meeste macht hebben
    Hij had de gehele wedstrijd de overhand.