handschoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Handschoenen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·schoen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kledingstuk voor de hand’ voor het eerst aangetroffen in 1286 [1]
  • samenstelling van  hand   en  schoen  
enkelvoud meervoud
naamwoord handschoen handschoenen
verkleinwoord handschoentje handschoentjes

Zelfstandig naamwoord

handschoen v/m

  1. (kleding) een handkledingstuk met aparte vingers
    • Verdorie, ik ben mijn handschoenen vergeten mee te nemen. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden

Iemand de handschoen toewerpen.

  • Iemand uitdagen.

De handschoen opnemen.

  • De uitdaging aannemen.

Het is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken.

  • Het is een kattig persoon.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen