overhandigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·han·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overhandigen
overhandigde
overhandigd
zwak -d volledig

Werkwoord

overhandigen

  1. (ditransitief) in de handen van een ander geven
    Hij overhandigde Sanne een brief.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
Vertalingen