overhandigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·han·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overhandigen
overhandigde
overhandigd
zwak -d volledig

Werkwoord

overhandigen

  1. ditransitief in de handen van een ander geven
    • Hij overhandigde Sanne een brief. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Vertalingen