lijf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lijf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lijf lijven
verkleinwoord lijfje lijfjes

Zelfstandig naamwoord

lijf o

  1. lichaam.
    • Hij verzorgde zijn lijf goed. 
     De adrenaline gierde door mijn lijf omdat, na meer dan een jaar voorbereiding, mijn trektocht van Mexico naar Canada eindelijk begon.[2]
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • te lijf gaan
    aanvallen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen