handkus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·kus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handkus handkussen
verkleinwoord handkusje handkusjes

Zelfstandig naamwoord

handkus v/m

  1. kus op de hand als een elegante begroeting en eerbetuiging
    • De koningin kreeg een handkus van haar onderdaan. 
  2. kus op je eigen hand die je dan naar een ander blaast of werpt
    • Tijdens het wegrijden van de trein gaven de geliefden elkaar handkusjes. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.