washand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • was·hand
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van  was  en  hand  de verkleinvorm washandje en washandjes worden het vaakste gebruikt.
enkelvoud meervoud
naamwoord washand washanden
verkleinwoord washandje washandjes

Zelfstandig naamwoord

washand v/m

  1. Meestal van badstof gemaakt zakje waarin de hand past waarmee men de rest van het lichaam kan wassen.
    • Hij moet een washandje door zijn gezicht halen, door het koude water wordt hij wakker en minder slaperig. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie