handhaven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·ha·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
handhaven
/ɦɑnthavə(n)/
handhaafde
/'ɦɑnthavdə/
gehandhaafd
/ɣə'ɦɑnthaft/
zwak -d volledig

Werkwoord

handhaven

  1. overgankelijk iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    • Hij handhaafde zijn bezwaar tegen de bezuiniging. 
  2. overgankelijk krachtdadig in stand houden, naleving afdwingen
    • De orde werd met grof geweld gehandhaafd. 
  3. wederkerend zich een positie in een groep verzekeren
    • Hij kon zich in de klas niet handhaven. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl