handhaven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·ha·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
handhaven
/ɦɑnthavə(n)/
handhaafde
/'ɦɑnthavdə/
gehandhaafd
/ɣə'ɦɑnthaft/
zwak -d volledig

Werkwoord

handhaven

  1. (overgankelijk) iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    Hij handhaafde zijn bezwaar tegen de bezuiniging.
  2. (overgankelijk) krachtdadig in stand houden, naleving afdwingen
    De orde werd met grof geweld gehandhaafd.
  3. (wederkerend) zich een positie in een groep verzekeren
    Hij kon zich in de klas niet handhaven.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl