handbreed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·breed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handbreed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handbreed o [2]

  1. zo breed als een hand
  2. (figuurlijk) een heel klein beetje
    • - Gisteren nog stuurden bovendien 32 lokale CDU-politici een open brandbrief aan de bondskanselier. Maar Merkel is niet van plan een handbreed te wijken. Was het geen fout van haar om een selfie te maken met een asielzoeker? „Gelooft u echt”, riposteerde Merkel, „dat honderdduizenden mensen huis en haard verlaten vanwege zo’n selfie?” En ze blijft bij haar inmiddels tot mantra geworden uitspraak: „Wir schaffen das!” (We kunnen het aan)[3] 
    • - Het Westen heeft, door zijn meten met twee maten en steun aan despotische regimes, in de islamitische wereld veel van zijn democratische geloofwaardigheid verloren. Ook Obama heeft de hooggespannen verwachtingen die hij in 2009 met zijn Caïrorede had gewekt niet waar gemaakt door, als puntje bij paaltje kwam, nooit Israël een handbreed in de weg te leggen. [4] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen handbreed wijken
niet opzij gaan nooit bang zijn

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Frank Vermeulen 8 oktober 2015
  4. NRC Thomas von der Dunk 30 juni 2013