handarbeid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·ar·beid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handarbeid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

handarbeid m

  1. werk, meestal ambachtelijk van aard, dat met simpele gereedschappen wordt uitgevoerd
    • Hou jij je liever met hoofdarbeid of handarbeid bezig? 
  2. een schoolvak waarbij leerlingen eenvoudige ambachtelijke werkjes maken
    • Ik heb zoooo geen zin in handarbeid vandaag. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid