handig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • han·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen handig handiger handigst
verbogen handige handigere handigste
partitief handigs handigers -

Bijvoeglijk naamwoord

handig

  1. goed met de handen om kunnen gaan
    • Mijn handige buurman had de schutting snel geplaatst. 
     Want ieder jaar gaat er een nieuw Pietje mee, klein genoeg om door de schoorstenen te roetsjen en handig in klauteren en springen.[2]
  2. gemakkelijk mee om te gaan
    • Ik zal dat handige trucje zeker onthouden! 
    • Om 2 uur? Dat kan maar voor mij zou 4 uur handiger zijn. 
Vaste voorzetsels
  • handig zijn in
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. handig op website: Etymologiebank.nl
  2. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11