handreiking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·rei·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handreiking handreikingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handreiking v

  1. een gebaar om een conflict te laten stoppen
    • „Het zal toch moeten. Neem asielquota. Voor de top in Bratislava van vorige week heeft Juncker gezegd: solidariteit is een kwestie van het hart en kan niet worden opgelegd. Dat is toch een soort handreiking naar Hongaren en andere dwarsliggers op het punt van verplichte verdeling van asielzoekers. Een jaar terug wilde hij het nog doordrukken met de regelmethode.” [1] 
  2. korte gebruiksaanwijzing of handleiding
    • Samen met de PO-raad heeft Dekker een handreiking voor basisscholen opgesteld om kleuters zo goed mogelijk naar groep 3 te laten doorstromen. <ref>Belia Heilbron 12 september 2016</refs> 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Hans Steketee 23 september 2016