eigenhandig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·gen·han·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van eigen en hand met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen eigenhandig
verbogen eigenhandige

Bijvoeglijk naamwoord

eigenhandig

  1. zelf gemaakt of gedaan hebbend dus met je eigen handen
    De koning had eigenhandig de soldaat geridderd in de Militaire Willemsorde.