handvaardigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·vaar·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handvaardigheid handvaardigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handvaardigheid v

  1. de vaardigheid om met de hand werkzaamheden te verrichten.
  2. (onderwijs) een schoolvak waarin kinderen leren gereedschappen te gebruiken voor het maken van allerlei voorwerpen en het uiten van creativiteit.
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie