Naar inhoud springen

handdoek

Uit WikiWoordenboek
[1] Een handdoek
  • hand·doek
enkelvoud meervoud
naamwoord handdoek handdoeken
verkleinwoord handdoekje handdoekjes

dehanddoekm

  1. (textiel) een doek waarmee men zich afdroogt
    • Tijdens het douchen kwam hij erachter dat hij zijn handdoek was vergeten te pakken. 
     Olive gehoorzaamde; Teresa sloeg de handdoek om haar heen en nam haar mee de kamer uit.[1]
     Marie-Claire Ik trek de badkamerdeur open en kijk in het gezicht van Giorgos, die met smalende blik en met een handdoek om zijn middel op de toiletpot zit. 'Is de kust veilig?' 'Wat was je aan het doen, joh? Lauren had het bijna door!' 'Wc doortrekken en tandenpoetsen,' is zijn eerlijke antwoord.[2]
  2. (België) een theedoek
    • Hij pakte een handdoek om het kopje af te drogen. 
  • De handdoek in de ring werpen/gooien
Het opgeven
 Die niet eerst bij zichzelf te rade gingen voordat ze de handdoek in de ring gooiden.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be