handboog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·boog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handboog handbogen
verkleinwoord handboogje handboogjes

Zelfstandig naamwoord

handboog m

  1. het deel van de pijl en boog dat men vasthoudt en niet wegschiet
    • Hij neemt altijd zijn eigen handboog mee naar de pijl-en-boogschietlessen. 

Meer informatie

Gangbaarheid