handgreep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·greep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handgreep handgrepen
verkleinwoord handgreepje handgreepjes

Zelfstandig naamwoord

handgreep m

  1. handvat, het deel van een voorwerp waarmee men het object kan verplaatsen, optillen of anderszins (met de hand) gebruiken of bedienen.
    • Naargelang het voorwerp geeft men de handgreep soms een andere naam, die als synoniemen kunnen worden beschouwd 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie