handgebaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

afkeurend handgebaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·ge·baar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handgebaar handgebaren
verkleinwoord handgebaartje handgebaartjes

Zelfstandig naamwoord

handgebaar o

  1. een beweging met de handen waarmee men iets wil zeggen
    • Soms zijn alle tekenen helder. De bakfietsvader die oversteekt, het ene kind in de bak, het andere op een eigen fiets daarnaast, die de wachtende auto, neus op het zebrapad, met een handgebaar tot kalmte maant. De caissière die de bankpas uit mijn hand grist en hem zelf in de kaartlezer steekt.[1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 1 juni 2016 Jutta Chorus