lichaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·chaam
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lichaam lichamen
verkleinwoord lichaampje lichaampjes

Zelfstandig naamwoord

lichaam o

  1. (anatomie) het geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
     Mijn lichaam moest zich constant aanpassen aan de lange afstanden en mijn nieuwe levensstijl waardoor ik heel snel steeds weer honger had.[2]
  2. (figuurlijk) instantie
     Voor een EESV tussen een vennootschap of een ander juridisch lichaam en een natuurlijk persoon geldt dat de vennootschap of het andere juridische lichaam zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft en de natuurlijke persoon zijn werkzaamheid in een andere lidstaat uitoefent.[3]
  3. (figuurlijk) een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. "lichaam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 6 december 2020 Weblink bron “Het lidmaatschap van een EESV” (27 februari 2005), Navigator
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be