handbereik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·be·reik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handbereik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handbereik o

  1. heel dichtbij, makkelijk te bereiken
    • De oude vrouw heeft de telefoon, afstandsbediening en alarmknop allemaal binnen handbereik. 
     Het potje met mijn favoriete zwarte inkt plaatste ik binnen handbereik.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18