specialist

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·ci·a·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord specialist specialisten
verkleinwoord specialistje specialistjes

Zelfstandig naamwoord

specialist m

  1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. (medisch) arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
Synoniemen
  1. deskundige
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
specialist specialists

Zelfstandig naamwoord

specialist

  1. specialist (persoon met veel verstand van iets).
  2. (medisch) specialist (gespecialiseerde arts).