specialist

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·ci·a·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord specialist specialisten
verkleinwoord specialistje specialistjes

Zelfstandig naamwoord

specialist m

  1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. (medisch) (beroep) arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
Synoniemen
  1. deskundige
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
specialist specialists

Zelfstandig naamwoord

specialist

  1. specialist (persoon met veel verstand van iets).
  2. (medisch) specialist (gespecialiseerde arts).